Lichte mitrailleur M.20
De Lewis M.20 miltrailleur valt onder de categorie ‘lichte mitrailleurs’ hoewel dit wapen moeilijk als echt licht te kwalificeren is. Ongeladen woog de mitrailleur ongeveer 12,5 kilo, samen met de 97-schots patroontrommel die boven op de mitrailleur werd gemonteerd kwam het gewicht uit op zo’n 16 kilo.
Al met al toch een hele last voor de mitrailleurschutter als hij zich met het wapen over het slagveld moest verplaatsen. Aanvankelijk bevatte het blikken trommelmagazijn 47 patronen maar de Artillerie Inrichtingen in Zaandam, die de mitrailleur in licentie vervaardigde, breidde dat aantal uit naar 97. Hoewel de fabrikant een hogere vuursnelheid opgaf, bleek in de praktijk dat de mitrailleur met 450 schoten per minuut zijn bovengrens had bereikt. Tot 1935 bedroeg het kaliber, de doorsnee van de kogel, 6,5 mm, daarna veranderde dit naar 7,92 mm.
Het wapen was luchtgekoeld waarbij het landmacht-model (er bestond ook een afwijkend luchtvaartmodel*) was voorzien van aluminium koelribben die effectief de warmte van de loop van de mitrailleur absorbeerden. De koelribben waren omgeven door een stalen mantel die aan de voor- en achterkant open was. Als het wapen een kogel afvuurde ontstond er vooraan in de mantel, net voorbij de monding van de loop, een vacuüm. Door dat vacuüm werd er aan de achterzijde van de mantel koele lucht aangezogen die strak langs de aluminium ribben naar voren stroomde en zo de loop van het wapen koelde.
Hoewel dit koelsysteem goed werkte kon de loop gedurende hevige gevechten toch oververhit raken. In dat geval was het koelsysteem wel weer problematisch omdat daardoor het vervangen van die te heet geworden loop lastig en tijdrovend was.
De mitrailleur bleek op het slagveld nogal storingsgevoelig, niet in een vaste opstelling maar wel als het wapen bijvoorbeeld in een tegenaanval meegesjouwd werd. Door al die schokkende bewegingen, ging de precisie van het toevoermechanisme vanuit de patroontrommel soms verloren, een patroon kwam dan scheef voor de kamer** te zitten en sloeg daarop klem met als gevolg dat het wapen blokkeerde. Met een tangetje moest zo’n patroon dan weer losgepeuterd worden alvorens de mitrailleur opnieuw te gebruiken was.
Nederland bezat aan het begin van WO-II iets minder dan 8.500 Lewis M.20 mitrailleurs. De Lewis M.20 was de mindere van de Duitse MG 34, de lichte mitrailleur waarover het SS-regiment Der Führer in de Slag om de Grebbeberg beschikte. De MG 34 woog minder dan de Lewis M.20, haalde bijna de dubbele vuursnelheid en was aanmerkelijk minder storingsgevoelig dan onze mitrailleur.
De Lewis M.20 mitrailleur dankt zijn naam aan de uitvinder, de Amerikaan Isaac Lewis, die voor de Eerste Wereldoorlog naar Europa kwam omdat zijn uitvinding in de U.S.A. niet aansloeg. In België en later in Engeland werd de Lewis op grote schaal gefabriceerd. De aanduiding M.20 duidt erop dat dit model in ons land in 1920 bij de land- en luchtmacht werd ingevoerd.
*Naast het landmacht-model kende de Lewis M.20 ook een luchtvaartmodel. Bij dat laatste model ontbraken de aluminium koelribben en stalen mantel. Tijdens het vliegen was het de wind die voor de noodzakelijke koeling zorgde.
**De kamer is dat deel van de loop waarin het patroon zich bevindt voordat het wordt afgevuurd.



