12 Lang Staal
Het ‘12 lang staal’ heeft in mei 1940 de Nederlandse verdediging haar bescheiden diensten verleend. Het kanon was al oud, bijzonder oud zelfs, toen het in die oorlogsdagen onder meer op de Grebbeberg werd ingezet. De door de Duitse onderneming Krupp ontwikkelde vuurmond werd in 1877/1878 door ons land ingevoerd. Op het moment van de mobilisatie, eind augustus 1939, was de houdbaarheidsdatum van het ‘12 lang staal’ allang verstreken maar het schrijnend tekort aan modern geschut dwong de artillerie het kanon toch weer in gebruik te nemen. Daartoe werden vier nieuwe regimenten opgericht, het 13e, 14e, 18e en 19e regiment artillerie elk uitgerust met 36 kanonnen ‘12 lang staal’.
De naam van dit kanon doet mogelijk wat wonderlijk aan. De ‘12’ staat voor het kaliber, de doorsnee, van de granaat. Nu is het kaliber van ‘12 lang staal’ overigens niet precies 12 cm maar net even iets meer, afgerond op helen levert dat dan toch de aanduiding ‘12’ op. Geschut is behalve op basis van het kaliber ook op andere manieren in te delen. Bijvoorbeeld naar het materiaal waarvan de kanonnen gemaakt zijn. In de 19de eeuw was de keus uit brons, gietijzer of staal. Natuurlijk had staal uiteindelijk de voorkeur maar de grootschalige productie daarvan kwam pas vanaf 1860 langzaam op stoom. Vandaar dat er zelfs nog een paar jaar voor de invoering van de ’12 lang staal’ bronzen kanonnen waren aangeschaft. Tenslotte levert ook de lengte van de loop (die trouwens in artilleriekringen schietbuis wordt genoemd) een mogelijke indeling op naar ‘kort’ of ‘lang’. Samenvattend heeft een kanon van ’12 lang staal’ een kaliber van (ongeveer) 12 cm, is het van staal gemaakt en heeft het een lange schietbuis (in dit geval bijna 3 meter). Het kanon wordt ook wel ’12 lang 24’ genoemd waarbij 24 het getal is waarmee het kaliber vermenigvuldigd moet worden om op de lengte van de schietbuis uit te komen.
’12 lang staal’ werd in het laatste kwart van de 19e eeuw ingevoerd als vestingartillerie om vestingwerken mee aan te vallen of juist te verdedigen. Het stond hoog op de wielen om over een beschermende borstwering heen te kunnen schieten. Toen het belang van vestingwerken door de toegenomen kwetsbaarheid ervan afnam betekende dat nieuwe taken voor het kanon in de landsverdediging. In 1922 werd het ’12 lang staal’ bij de veldartillerie ingedeeld. Het enorme gewicht van 3.540 kilo hinderde de inzetbaarheid ervan omdat daardoor het vervoer een moeizame en tijdrovende klus was. In het gewicht onderscheidde dit kanon zich van het veldgeschut van de veldartillerie, dat gelet op de functie in een bewegingsoorlog juist relatief licht en dus makkelijk verplaatsbaar moest zijn. Om het kanon van ‘12 lang staal’ naar een andere positie te manoeuvreren waren vier tot zes paarden nodig, geen lichtgewicht renpaarden maar paarden van zwaar slag, zwaargebouwde boerenpaarden dus. In 1928 werden de wielen van het kanon voorzien van brede stalen velgen om te voorkomen dat ze tijdens het vervoer zouden wegzakken in de weke Hollandse ondergrond. De bediening van het ’12 lang staal’ bestond uit een stukscommandant en zes kanonniers. Bij elk stuk ’12 lang staal’ hoorde ook een beddingwagen waarop de zware planken werden vervoerd die als het kanon in stelling werd gebracht moesten zorgen voor een stabiele basis.
Een belangrijk nadeel van het ’12 lang staal’ was het ontbreken van een rem- en vooruitbrengmechanisme. Bij een ‘modern’ kanon kunnen de loop en het onderstel, de affuit, onafhankelijk van elkaar bewegen. Vuurt zo’n kanon een schot af dan de schiet alleen de loop naar achteren terwijl het onderstel blijft staan. Als de achterwaartse beweging volledig is afgeremd wordt de loop door het vooruitbrengmechanisme weer in zijn uitgangspositie gebracht. Een ‘modern’ kanon kan door die combinatie van rem- en vooruitbrengmechanisme snel achter elkaar vuren zonder dat de artilleristen het wapen na elk schot opnieuw hoeven te richten. Bij het ’12 lang staal’ was de loop volledig vast aan de affuit verbonden. De terugstoot na elk schot werd niet opgevangen door een rem- en vooruitbrengmechanisme waardoor nu het hele kanon, loop en onderstel, naar achteren rolde. Om die terugloop enigszins te beperken werden achter de wielen houten wiggen geplaatst, wiggen die er uiteindelijk ook voor zorgden dat het kanon ongeveer terugkeerde naar waar het stond voor het schot afging. Het feit dat het hele kanon heen en weer rolde maakte het noodzakelijk na elk schot het wapen opnieuw te richten. De vuursnelheid van het ’12 lang staal’ was dan ook gering, onder gunstige omstandigheden wist een geoefende bediening één schot per minuut te halen.
Rond het midden van de 19de eeuw werd er veel geëxperimenteerd met kanonnen die niet van voren, zoals al eeuwen gebruikelijk was, maar van achteren geladen werden. Het ’12 lang staal’ was een achterlader, de eerste achterlader in staal uitgevoerd. Het bezat nog een andere innovatie uit de 19de eeuw; de getrokken loop. Door evenwijdige spiraalvormige groeven in de loop aan te brengen kreeg de granaat een roterende beweging en dankzij die rotatie een stabielere baan en grotere trefzekerheid. Het ‘12-lang-staal’ schoot met een gescheiden lading. Eerst werd de granaat in de loop gebracht, daarna de buskruitlading, de kardoes. Het gas dat ontstaat bij de ontploffing drijft de granaat door de schietbuis naar buiten. Van belang hierbij is het sluitstuk dat aan de achterzijde van de schietbuis moet voorkomen dat daar gas ontsnapt. In 1928 is in het kader van een opwaarderingsprogramma de afsluitplaat en afsluitring vervangen door een plastische afsluiting. Het bereik van het kanon kwam daarmee op ongeveer 7,5 kilometer.
Op de Grebbeberg maakten de kanonnen ’12 lang staal’ deel uit van het 19de regiment artillerie (19 R.A.). Een regiment artillerie bestaat uit een aantal afdelingen. Voor de Slag om de Grebbeberg is alleen de tweede afdeling van 19 R.A. van belang, de andere twee afdelingen stonden elders opgesteld. De drie batterijen van deze afdeling telden elk vier kanonnen. De eerste batterij stond opgesteld een paar honderd meter oostelijk van Ouwehands Dierenpark, vlak achter de stoplijn, de tweede batterij in de buurt van de Levendaalseweg en de derde batterij ten zuidwesten van hotel De Grebbeberg. ’12 lang staal’ was vlakbaangeschut en de positionering van dit type geschut op de zwaar beboste Grebbeberg was daarom bijzonder ongelukkig. Regelmatig kunnen kanonnen geen vuur uitbrengen op de opgegeven doelen. Zo staat in het verslag van de afdelingscommandant reserve-majoor De Groot te lezen: ‘In het bijzonder gold dit voor het stormvuur dat door verreweg de meerderheid van mijn 12 stukken niet kon worden afgegeven’. Vanwege de gebrekkige verbindingen, het verbod aan de afdeling op eigen initiatief te handelen en het onvoldoende zicht van hogerhand op het verloop van de strijd, telde het aantal vuuropdrachten aan II-19 R.A. op tot niet meer dan drie*. Op 12 mei kreeg de afdeling bevel terug te trekken van de Grebbeberg om tussen Rhenen en Elst opnieuw in stelling te gaan. Die terugtocht liep uit op een catastrofe, niet voor de soldaten, wel voor de kanonnen. Twee stuks ’12 lang staal’ werden door trekkers van een ander regiment artillerie richting Elst gesleept. De overige negen stuks (van één kanon was een dag eerder de vuurmond gesprongen) werden door de nodige misverstanden niet meer opgehaald. Na uren tevergeefs op de trekkers te hebben gewacht besloten de kanonniers dan toch maar te vertrekken van de Grebbeberg. De oude kanonnen bleven verlaten achter om niet lang daarna in de smeltovens van het Derde Rijk voorgoed te verdwijnen.
*De drie vuuropdrachten die door II-19 R.A. zijn uitgevoerd:
- Storend vuur op 11 mei van 2.30 – 2.55 uur, direct ten oosten van Hotel De Wereld op de splitsing van de wegen naar Arnhem en het Lexkesveer.
- Stormvuur (afsluitingsvuur) op11 mei rond 19.45 uur, ten oosten van de Grebbeberg tussen de Rijksstraatweg en de Grebbedijk.
- Vernietigingsvuur op 12 mei kort na 5.00 uur, de zuidelijke toren van Wageningen.
