Skip to main content

De Jager (Bijlage Tielsche Courant), Puiflijk, 26 sept. 1939

Het was maandagmiddag. De koks waren druk bezig met het middageten. Eén van hen keek toevallig op, trok een onsteld gezicht en riep toen tegen zijn collega's: Brand! Daar, in het rieten dak! En ja hoor, aan de Slink steeg rook uit een dak op. In een minium van tijd was het stafpersoneel gealarmeerd en begaf zich snel met pioniersschoppen en helmen op naar de plaats des onheils. Algemeen geroep: Brand!  Brand!
  De Jager die het eerst ter plaatse was, wilde de deur openen, maar had geen schijn van kans. Ook de achterdeur was gegrendeld. Niemand thuis? Er zat niets anders op dan de deur met geweld open te rammen, doch de construktie van de kasteelpoort bleek zo solide dat de stormaanval niet met succes werd bekroond. Om niet te veel tijd te verliezen nam de sergeant-facteur een ferme duik door het raam en kon zoo binnen het terrein verkennen.
Intusschen had zich een uitgebreide troepenmacht verzameld, ijverig de inboedel naar buiten sjouwend. En danzij het feit dat alle ruiten waren ingedrukt, was het hele huis binnen vijf minuten leeg. 
20251107 145924  Een deel van het aanwezige legerkorps vormde een ketting  en begon het blusschingswerk met emmers water. Degenen die op het dak waren geklommen, hadden een goede verwarming aan de vlammen. Naar de plaats te oordelen waar het water terecht kwam, ziu men zeggen dat de soldaten in brand stonden en niet het huis. Uit de richting van de City klonk het signaal "Groot alarm": daar komt de vijand. De hoornblazer had blijkbaar zoo den schrik te pakken, dat hij de meest verontrustende signaal koos. Natuurlijk was iedereen onmiddelijkin paniekstemming.
  Bij deze alarmsignalen voegde zich ongevraagd een steeds luider wordend geknor uit het achterhuis. Er bleek dan nog eenige levende have aanwezig die prompt in vrijheid werd gesteld. 
  Ook werd begonnen met het aansjouwen van emmers water naar binnen en fr roode haan moest zich al heel snel terugtrekken. De vrouw des huizes, die op de wegnaar de 'stad', werd gewaarschuwd door een buurman, die haar zoo voorzichtig mogelijk van het gebeurde in kennis stelde. Toen zij over haar zenuwen heen ter plaatse arriveerde, riep zij: m'n centen, m'n centen! Maar voor centjes was zorg gedragen en door goede Jagerzorgen achter slot en grendel gezet. 
  Het blussingswerk verliep voortreffelijk. Het water stroomde binnen- en buitenshuis naar beneden, dan het een lieve lust was. Inwendig bleef het dak echter smeulenen alleen een bres zou daaraan een einde kunnen maken. Met groot entousiasme werd het riet bij bossen tegelijk van het dak afgedrukt. Wie zag ooit een soldaat zoo hard werken?
  Uit de binnenstad kwam met veel lawaai een bataljon D.J. (Dorps-Jeugd) aangerukt met als gemotoriseerden korpstrein een middeleeuwsch voertuig, dat bij nadere informatie de plaatselijke brandspuit bleek te zijn. Waarschijnlijk nog een erfstuk uit de nalatenschap van Jan van der Heyden.
  De belangstelling ging zich verplaatsen van het brandende huis naar de brandspuit. Slangen werden uitgerold, de zuigslang in de moddersloot uitgehangen en toen: pompen maar jongens! De aangebouwde benzine-motor werkte niet; met groote krachtsinspanning gelukte het een slang vol water te krijgen, maar voor het water bij de straalpijp was, bleef de toestand stationair en kwam er geen druppel meer bij.
  Intusschen was de brand reeds met emmertjes water gebluscht, maar de spuitgasten wilden toch nog even taten zien wat ze konden. Dus maar verder geprobeerd. Er zat echter zoo veel modder in de ingewanden van het monster dat het elke dienst absoluur weigerde. Ten einde raad werden de slangen afgekoppeld, waarbij een officiersuniform onder oorverdoovende hilariteit door de uirstroomende bagger van groen tot zwart werd getranformeerd. Het rumoer steeg ten top toen eenige omstanders van schrik eenige stappen achteruit deden en op hun rug in de prut terecht kwamen. Tenslotte zag men in dat aan het instrument geen eer te behalen viel en marcheerde men met hetzelfe af. Hiermee was het avontuur ten einde en ging ieder zijns weegs.
  Jammer dat temidden van de pret een onaangename noot voorkwam. Zoals gezegd, de heele inboedel was onbeschadigd netjes buiten gezet, zoo ook een gevulde porseleinkast. Eén van de aanwezige dienstplichtigenscheen zijn geestigheid niet anders te kunnen uiten dan door de kast te bespringen en deze in de sloot te doen tuimelen. Niet moeilijk laat zich raden welk lot de inhoud onderging. Laten we hopen dat het verblijf onder de militairen van ons bateljon hem zal bijbrengen zich te gedragen zooals het een Jager betaamt.
onder de hulp van de Jagers zou er een huis minder in Puiflijk hebben gestaan!

Met dank aan Dhr. v/d Staaij voor het beschikbaar stellen van het fotoalbum gemaakt door zijn vader. (diende bij 2-I-24 R.I.)