In den Uijlenspieghel.
‘Hè-hè, dat zit er weer op’, zei die. Ik kon het niet helpen, dat ik hem woord voor woord verstond. Zijn stem was die twee verlofdagen blijkbaar niet lang genoeg aan den militairen dienst ontrukt geweest om haar te kunnen temperen tot het discrete gefluister, waarvan de burger-maatschappij zich pleegt te bedienen in bus of tram.
Naast hem zat zijn vrouw, zij bracht hem kennelijk een eindje weg nu de verlofgangers-koek weer voor veertien dagen op was. Ik moet zeggen dat zijn opmerking in dit verband gehoord niet tactvol was, vooral niet voor een verlofganger-op-den-terugweg met twee sterren.
Maar ze hoorde het niet. Ze keek met gefronste wenkbrauwen voor zich uit, naar mijn hoed. Ik voelde al voorzichtig of de rand misschien ook wipte, dat staat zoo idioot, maar meteen ontdekte ik dat ze alleen maar naar mijn hoed keek om zich te kunnen concentreeren op een diepe gedachte. Zij zag den hoed en zij zag hem eigenlijk ook niet – en dat is een symptoom van een hevig geestesleven.
De bus rammelde voort, met een verlofganger, een verlofgangersvrouw en een nieuwsgierige naar de woorden die komen gingen en dat was ik.
Nu, zoo peinsde ik – zij keek nog steeds naar mijn hoed – komt een woord geladen van tederheid, een woord om weer twee weken verzaligd op te kunnen teren op wacht in een of ander iet of wat duf fort. Zoo’n woord, waar een reserve-eerste-luitenant alleen maar aan behoeft te denken, om vriendelijk te kunnen glimlachen, wanneer de majoor hem uitfoetert voor een stommiteit van den vaandrig, die juist met verlof is, zoodat het onmogelijk is een paar druppels van de donderbui op zijn schuldige hoofd te laten neerdalen. ……
Ondertusschen naderde de bus het station en nog steeds staarde ze naar mijn hoed, het woord, het zachte goede afscheidswoord nog wikkend en wegend in haar binnenste.
Ik overwoog dat dit woord te schoonder zou uitvallen, naarmate het langer zou uitblijven; woorden zijn als flesschen wijn en sigaren, zij worden beter naarmate men ze langer bewaart, waartoe de journalist echter weinig gelegenheid heeft – althans met de woorden.
En terwijl de bus dan het station nader kwam, keek de eerste luit hoe langer hoe vrolijker. Het ergerde mij een weinig, want hij had, zo redeneerde ik, toch minstens den goeden smaak kunnen toonen, zijn opluchting over zijn genakend vertrek wat te verbergen. Hij floot zelfs een paar luchtige tonen – en ondertusschen, ’t was zonde, zat zijn vrouw daar maar te zinnen en te peinzen, wat voor ’n liefs zij hem zou kunnen mee geven in de rookerige coupé, zoo’n woord, dat is als een verstolen aanraking, als een vluchtige zoen, een zoet afscheids-geheim tusschen twee menschen.
En eindelijk, de bus begon al te remmen met klagelijk gekrijsch van heete remwrijving, lieten haar oogen mijn hoed los en ik dronk al het ware met dorstige ooren haar woorden in:
‘Da’s nou al de derde keer, dat je vergeten bent de deuren te smeren …’.
Tijl