Skip to main content

Arnhemsche Courant van zaterdag 18 november 1939

Arnhem neemt ’n verduisteringsproef

Duisternis in de Rijnstad.

Kwart voor acht. Hier en daar floepen de lichten uit van de groote zaken in de binnenstad. Maar nog is het licht, het licht dat uit de vele étalage’s straalt en nog brandt de straatverlichting in volle glorie.

In de buitenwijken is men al meer voorbereid op de dingen die komen zullen. Vele huizen zijn goed afgeschermd, de menschen binnenskamers bewegen zich echter nog in gewone sfeer.
De tijd verstrijkt. Langzaam schuiven de klokkewijzers het uur rond. Tien voor half negen. Reeds is de stad van aard veranderd. Duisternis daalt neer en in haar beklemming wordt iets van een ontzettende realiteit merkbaar.

De lichten gaan uit

Half negen. Een schor sirene-geloei waart over de stad.
           Floep, de lichten gaan uit
Het is donker. Even een korte opwelling van onzekerheid. Een nerveus gevoel vermengd met angst, dat aangroeit als de sirenes, dieper en doffer van klank een onzichtbare bedreiging aankondigen.

Dan ietwat herademend hervindt men den weg, herkend vaag uit eigen aanschouwing de plaats waar men staat.
Maar ook deze zekerheid wordt aangetast.
Alles is veranderd ….
Wat schuift daar door de donkerte?
Twee blauwig-rondvormige lichtvlekken.
Men raadt het. Koplampen van een auto die langzaam voortgaat. Vaag is ieder ding en alleen aan de vorm te onderscheiden.
De menschen worden grauwe logge gestalten. Verschillend in gedaante maar verder niet herkenbaar meer. De duisternis vlakt al het andere uit in haar grooten, sinisteren omvang.

Waren hier en daar, kort na het eerste alarm nog lichtvlekken van reclames en niet-afdoende beschermde huizen opvallend zichtbaar, ook hieraan komt een einde.
Ware de hemel donkerder dan was een Egyptische duisternis volkomen. Nu kan men nog voortgaan. Zwijgend, in zichzelf gekeerd, innerlijk paraat voor de vernietiging die dit alles noodzakelijk maakt.
De noodlampen doen hun dienst. De trottoirbanden glimmen wit de menschen tegen. Beter te onderscheiden zijn de agenten in lange witte gewaden.
Ze hebben geen gemakkelijke taak gehad dezen avond. Niet alleen dat voortdurend de menschen aangemaand moesten worden niet op den weg te loopen of op de hoeken van de straten te blijven stilstaan, ook de nog vrij talrijke auto’s die passeerden moesten vaak worden aangehouden.

De afscherming

In de café’s waar nog heel wat Arnhemmers zijn binnengelopen had men reeds vroeg voorzorgsmaatrgelen genomen. Dat kan evenwel niet gezegd worden van sommige particulieren die den leden van de Luchtbeschermingsdienst nog vrij veel werk gegeven hebben.
Vaak waren de ramen niet voldoende afgeschermd. Dan ging het huisbelletje over en werd de bewoner gezegd waar de fout schuilde.
Ook hadden sommige groote lichtreclames nog een ver-verspreide uitstraling omdat na het eerste alarm deze nog lustig hun aanbevelingen verkondigden. Dat hieraan echter gauw een einde kwam behoeft wel nauwelijks vermeld te worden.
De noodlampen hebben goede dienst gedaan. Het bescheiden licht dat hierdoor gegeven werd, was ruim voldoende om zich te oriënteren. Praktisch was ook de witte beschildering van de trottoir-banden op de voornaamste verkeerspunten.
Ofschoon uit de lucht de situatie ten eenemale anders beoordeeld zal worden zal een ieder die gisteravond in de stad was, beamen dat door de Overheid en in het algemeen van particuliere zijde is gedaan wat noodig was.

Later op den avond

Men went aan allles…
Ook deze duisternis verliest, na eenige tijd van ronddwalen, de ergste verschrikking. Dan komt de humor weer boven. ‘Net de hut van Oom Tom’, klinkt ergens een stem. Dit slaat op een goed afgeschermde automatiek.
Er is veel volk op straat. Misschien teveel. Opgeschoten jongelui zwermen in massa door de binnenstad. Een gegons van opgewonden stemmen weerklinkt in de winkelstraten. Ook klitten de menschen bijeen op pleinen en staren naar het wonderlijke rondom hen. De auto’s die stapvoets rijden, de schimmige gestalten van de fietsen waarvan de meeste hun lampen niet op hebben, terwijl anderen deze afschermden.
Maar misschien is dit niet het vreemdste. Men weet niet wie de buurman is, die ook stilstaat ergens op een de hoek van een straat, een plein.

Veel lichtflitsen vertellen dat talrijken de huizen verlieten, gedreven door nieuwsgierigheid. Maar men weet niet wie de ander is. Het raadsel van de duisternis. Aanstonds worden andere kenmerken geboren, alle voortkomend uit één gevoel; lichte achterdocht. Deze avond is rijk rijk aan verrassingen.

Opnieuw de sirenes

Dan als om nog nadrukkelijk daan eerst dezer oefening te accentueren, gillen eensklaps de sirenes.

Langer, zoo is de indruk, dan de eerste maal. Dreigender ook, omdat het nu volkomen donker is. En men er niet op voorbereid was.
Onwillekeurig zoeken de oogen den lichtbewolkten lhemel af.
Naderen nog geen vliegtuigen?
Het is alsof ze vlak bij zijn.
Alsof direct een meervoudig, regelmatig gebrom hoorbaar zal zijn. Plotseling verstomd, dan weer opklinkend.
Alsof dadelijk felle stralenbunders speurend de duisternis boven de hoofden zal doorbreken.

Zoo worstelen wij twee uren moeizaam door. Diep in ons de vraag hoe dit uit te houden is avond na avond., zooals elders Europa dit kent. Het schijnt niet mogelijk.
Naarmate de tijd vordert en het einde der oefening nabij komt, is het in de stad kalmer geworden.
Doch dit vermag slechts de sinistere werking dezer duisternis versterken, vooral nu ook de hemel donkerder is en een koude wind gaat opsteken.

Het licht triomfeert

Wij zijn aan het einde van onzen zwerftocht ergens op een plein beland.
Nog enkele minuten.
Half elf slaat de klok. De oefening is vooebij. Stoutmoedig ontbranden de schijnwerpers van een groot café, weldra gevolgd door andere lichtverschijnselen.
De auto’s boren breede, blanke stralenbundels in de donkerte.
Tot ook ongeveer een kwartier later de straatverlichting weer brandt en de goede Rijnstad zich weer hervindt op die late Vrijdagavond.
De verduisteringsoefening is voorbij en daarmede een kwelling van moderne ‘beschaving’.
Onbegrijpelijk maar noodzakelijk. Alleen aanvaardbaar omdat de harde dwang van zelfbescherming ons dit alles op legt.
Wat het werkelijk betekent kunnen twee uren ons moeilijk vertellen.
Maar wel werd men gewaar wat verduistering kan inhouden en hoe goed het is daar tegen gewapend te zijn.