‘Dat is nog eens een generaal.'
Generaal Winkelman als een wervelwind.
Een der gemobiliseerde redacteuren van het ‘Leidsch Dagblad’ schrijft aan zijn blad o.m. het volgende over het optreden van Generaal Winkelman, als commandant van den luchtverdedigingskring Utrecht-Soesterberg:
‘Twee maal in de vijf maanden dat we onder zijn bevelen stonden heeft hij ons bezocht. Beide malen stond hij bij ons ‘in huis’ voor wij het eigenlijk goed en wel wisten. Vooral zijn eerste bezoek zullen wij niet gauw vergeten. ‘Kijk eens, daar stopt een auto met een vlag’. Het portier vliegt open en een kleine breede man springt naar buiten. De generaal! De manier waarop hij naar ons toekomt, boezemt ons al direct ontzag in. Wij zijn van de meeste bezoekers gewend dat zij behoedzaam een pad zoeken door den enormen modderpoel, die in natte herfstmaanden onze stelling van den w eg scheidt.
Zijne Excellentie is echter niet bang. Onvervaard waadt hij door den modder. De kluiten vliegen in het rond en zijn adjudant ziet zich voor de onaangename taak gesteld het voorbeeld van zijn chef te volgen.
Nog is de deur niet dicht of het aantal manschappen dat op wacht moet zijn is al geteld.
‘En wat moet die stroozak daar?’
Ik haast me te zeggen dat zij gediend heeft als slaapplaats voor een van de twee vrij zijnde nachtwachten.
‘Overdag mogen hier voortaan geen stroozakken meer zijn en zeg nu maar niet dat er op den dag nooit iemand op ligt, want als dat waar was zouden jullie geen goede soldaten zijn’. Uitgepraat zijn we!
‘Wat zijn dat voor boeken? Bij welke keuken zijn jullie in de voeding, waar komt het drinkwater vandaan? Hoe is de verbinding met Utrecht? Wat wordt hier aan ontwikkeling en ontspanning gedaan? Wat betalen jullie voor de kolen? Waarom ligt er bij dat gasmasker geen helm?’ En zoo daalt enkele minuten lang een lawine aan vragen over de meest uiteenloopende zaken op ons neer. ‘Nu wil ik de stelling even zien’. Opnieuw worden we geducht aan de tand geoeld en in het nachtkwartier is het idem. En dan is hij plotseling verdwenen, even vlug als hij is gekomen.
Verwonderd kijken we elkaar aan. We zeggen niet veel maar denken des te meer. Wat een man, het lijkt wel een wervelwind. Hoe lang is hij bij ons geweest? Tien minuten! En wat heeft hij allemaal niet gevraagd in dien korten tijd? Zou er eigenlijk wel iets zijn wat hij niet heeft gezien.
‘Dat is nog eens een generaal’, zegt er tenslotte een en daar zijn we het allemaal mee eens.