Skip to main content

Arnhemsche Courant, dinsdag 6 februari 1940

De wisseling van het opperbevel.

Persstemmen over motieven van het ontslag van Gen. Reynders. 

Gen.-Majoor A.F.M. van Voorst tot Voorst bij den Generalen Staf benoemd.

De hoogste bevelvoering van ons leger heeft, behalve de opvolging van generaal I.H. Reynders door generaal H.G. Winkelman nog een tweede wijziging ondergaan doordat bij K.B. van 3 februari de generaal-majoor H.F.M. baron van Voorst tot Voorst van den staf der cavalerie, eervol is ontheven uit zijn functie van commandant der lichte divisie, tevens inspecteur der cavalerie en der wielrijders. Hij is overgeplaatst naar den Generalen Staf.

Afscheid

Prins Bernard heeft zich gistermiddag te vijf uur, vergezeld van zijn waarnemend adjudant, luitenant-kolonel H.J. Phaff, naar het Algemeen Hoofdkwartier te ’s-Gravenhage begeven om afscheid te nemen van den afgetreden opperbevelhebber, generaal I.H. Reynders.

De oneenigheid

De parlementaire redacteur van de Telegraaf teekent bij de ontslag-aanvrage van generaal Reynders o.m. het volgende aan:
Het was reeds eenigen tijd in vrij ruimen kring bekend dat het niet erg ‘boterde’tusschen het kabinet en den opperbevelhebber.
Ingewijden verheelen niet dat meeningsverschillen zich eigenlijk van den eersten dag hebben voorgedaan. Op grond van hetgeen van ingewijden, die overigens zeer spaarzaam met mededeelingen zijn, werd vernomen, krijgt men den indruk dat het conflict uiteindelijk is terug te voeren tot ver uiteenloopende principieele opvattingen betrefende het begrip mililitair gezag in oorlogstijd en de verhouding tusschen het burgergezag en het militait gezag.

De grenzen van militair- en burgerlijk gezag.

Men kan dus niet zeggen dat er meeningsverschil is geweest op een speciaal, zij het dan zeer belangrijk punt, doch aan de opvattingen van kabinet en opperbevel ontbrak iedere gemeenschappelijke grondslag op vrijwel ieder aantrekkingspunt.
Het is bekend geworden dat generaal Reynders juist op grond van zijn opvattingen nopens het militair gezag, er de voorkeur aan zou hebben gegeven, wanneer terstond bij de afkondiging van de mobilisatie het geheele land in staat van beleg was verklaard.
Op deze wijze zouden naar het oordeel van den generalen staf alle competentiekwesties bij voorbaat voorkomen zijn omdat dan terstond zou hebben vastgestaan hoe de verhouding is tusschen militair en burgerlijk gezag.

Niet alle macht in handen van het militair gezag.

Hoewel er analogie bestaat tusschen het ontslag van den opperbevelhebber en hetgeen verleden week in België heeft afgespeeld, bestaat er toch geen enkel verband tusschen beide. Hier, evenzeer als in België, hebben ten slotte politieke overwegingen een belangrijke rol gespeeld. Hier zoo goed als daar was het de regeering die niet geneigd bleek schier alle macht in handen van het militair gezag te leggen.

Het optreden tegen de pers.

Behalve dit algemeene principieel meeningsverschil zijn er in de afgeloopen vier maanden ook tal van conflicten op onderdeelen geweest, b.v. het aanvankelijk optreden van het hoofdkwartier tegen de pers, dat blijk gaf van opvattingen welke van de grondwettelijke persvrijheid weinig zouden hebben overgelaten zonder dat eerst de staat van beleg was afgekondigd.
De opperbevelhebber heeft toen een circulaire doen uitgaan en tegen dezen inhoud is terstond groot verzet gerezen. De circulaire mocht doen ook in de departementale milieus weinig waardering oogsten. Deze circulaire is toen haastig weder ingetrokken.

De weinig soepele uitvoering van de verlofregeling.

Legio waren de klachten die het departement van Defensie ontving over niet soepele uitvoering van de verlofregeling. Men meende dat generaal Reynders in sommige opvattingen te star was en anderzijds kon men het niet goedkeuren dat niet onder alle omstandigheden gestreefd naar een zoo zuinig mogelijke exploitatie van het militair apparaat,

Staat van Beleg voor heel ons land voorlopig van de baan?

Generaal Reynders en enkele bureaus van den generalen staf wenschen grooter machtsbevoegdheid en met name streefden zij de invoering na van den staat van beleg voor geheel Nederland. Een streven dat reeds enkele maanden oud is.

Men weet dat bij den staat van beleg Nederland praktisch onder militaire dictatuur komt. De staat van beleg is dan ook een toestand bestemd om te worden ingevoerd wanneer Nederland het ergste mocht gebeuren. De regeering wilde tot deze invoering nog niet overgaan.
Zij meende dat enkele maatregelen onder auspiciën van het ministerie van Justitie voldoende zouden zijn om enkele misstanden waarover de generaal klaagde uit de weg te nemen. Met name betrof dit het toezicht op vreemde elementen en sommige persexcessen.
De regeering wilde deze misstanden opruimen door den minister van Justitie grootere bevoegdheden te geven, generaal Reynders wenschte daarvoor de staat van beleg. Toen de regeering besloot Justitie met het nemen van deze maatregelen te belasten, meende men op den generalen staf dat daardoor een deel van de natuurlijke taak van dien staf uit diens handen was genomen.
De general wilde daarvoor de verantwoordelijkheid niet dragen en diende zijn ontslag in, dat H.M. de Koningin heeft aanvaard. Hiermee is dus een afkondiging van den staat van beleg binnen afzienbare tijd van de baan.

Ten tweede male

Dit is de tweede maal dat een ernstig conflict uitbreekt tusschen regeering en opperbevel; alleen is het den vorigen oorlog niet zo spoedig acuut geworden. Toentertijd was de opperbevelhebber na vier jaar genoodzaakt heen te gaan omdat men in politieke kringen meende dat hij niet voldoende meeging met den geest van den tijd. Thans is het na ruim vijf maanden dat generaal Reynders meent zijn ontslag te moeten indienen. De practijk schijnt wel degenen gelijk te geven die steeds hebben betoogd dat te onzent de staatsrechtelijke positie van den opperbevelhebber niet afdoende geregeld is. Als een bezwaar hoort men ook nog noemen dat in beide gevallen de in functie zijnde chef van den generalen staf tot opperbevelhebber werd benoemd. De chef van de generalen staf is immers de hoogste wetenschappelijke functionaris wiens studiën en werkkring goeddeels op theoretisch gebied plegen te liggen.
Het zou wellicht zo redeneert men dan de voorkeur verdienen op den hoogsten post in tijden van gevaar een man van de practijk te plaatsen.
Troepen officieren hebben zich den laatsten tijd er wel eens over beklaagd dat het veldleger driegt te worden bedolven onder de lawine papieren die het hoofdkwartier deed uitgaan.

Al deze en dergelijke grieven doen niets af aan het algemeen oordeel over de zeer groote bekwaamheden van generaal Reynders, een zeer kundig opperofficier met onbegrensde werklust en groote volharding.

Geen abnormaal verschijnsel

De N.Rott.Crt. schrijft ondermeer:
Een verschil aan zienswijze als thans wordt geopenbaard, kan gemakkelijk ontstaan bij een zoo veel-omvattend beheer als dat over de weermacht. De organisatie van ons verdedigingsapparaat is een ware volkshuishouding op zich zelf. De moeilijkheden welke daarin om een oplossing vragen, zijn in het huidige tijdsgewricht nog bijzonder gecompliceerd, omdat onze weermacht bij de afkondiging van de mobilisatie in staat van opbouw en reorganisatie verkeerde. De met het oog hierop ontworpen werkplannen moesten worden herzien en de uitvoering diende te worden versneld. Dat de keuze van den te volgen weg onder deze omstandigheden tot verschil van inzicht leidt tusschen de twee autoriteiten, die elk terzake hun bijzondere verantwoordelijkheden hebben, is geenszins een abnormaal verschijnsel.

Ons neutraliteitsbeleid niet in geding.

Een ding staat als een paal boven water en wel, dat ons beproefde neutraliteitsbeleid niet in het geding is. Het is goed dat nog eens uitdrukkelijk te constateren. Niet dat zulks noodig is tegenover ons eigen volk. Het is echter de ervaring van de laatste maanden geweest dat ons land het twijfelachtige voorrecht geniet, de speelbal te zijn van een onverantwoordelijke buitenlandsche berichtgeving. Het zou niet onmogelijk zijn, dat men van eenigerlei zijde zou pogen, de onzijdigheidspolitiek van ons land bij het bericht van het ontslag van den opperbevelhebber in het geding te brengen. Voor dat geval zij zulks een verband ten eenenmale geloochend.

Zelfs is elke twijfel uitgesloten over de vraag of Nederland zich met alle beschikbare krachten en tot het uiterste zal te weer stellen tegenover een aanranding van zijn territoir, van welke zijde deze ook moge komen. Daaromtrent is de regeering even vast besloten als de aftredende opperbevelhebber. En van de aantredende fuctionaris is niet anders te verwachten