In den Uylenspieghel
‘Gelukkig heeft mijn man een zwakke borst’, zei de juffrouw. Zulke dingen hoort men in deze mobilisatiedagen. Kwalen en afwijkingen worden gekoesterd als bijzondere zegeningen, waar men zich niet genoeg in kan verheugen. Geen wonder dat de andere juffrouw jaloersch was en weemoedig opmerkte: ‘Wat ’n heerlijkheid, de mijne is jammer genoeg zoo gezond als een visch….. ‘Och, zit ie d’r in?’ Hoe kort en kernachtig is de taal des volks, zoo peinsde ik op mijn luisterpost. ‘Ja hij is de sigaar …. Maar ik heb ‘m gezeid: as het ooit tot vechte komt, hou jij je d’r buiten hoor …..’
‘En krijgt U nou kostwinnersvergoeding?’
‘Eigenlijk weet ik dat nie, ik moet ’t es informeere ….. Hij is al een paar jaar zonder werk, weet U?’
‘O. Nou dan zal u dat schele in de pot!
‘’ Och ja, een gezond manspersoon kan heel wat an. Maar ik heb nou toch veel minder lol in koke ….’
‘Ze hange weer wat op. Ken U het leze?
‘Bent u wat kortzichtig? Ik wil ’t wel effe voorleze als die lange meneer ….’
De lange meneer maakt ijlings plaats, de juffrouw las met gefronste wenkbrauwen en commenteerde: ‘Ik mag een boon zijn als ik het snap maar ’t zal wel weer in orde wezen. Late de heere het maar onder mekaar uitmake, as m’n man maar gauw weer thuiskomt, je mis ‘m toch…’
Dat was niet vleiend voor ons mannen …. Maar toch ook weer wel. Het heeft zoo zijn voordeelen als de haan van huis is …. Hoewel, laat die toch heel wat ankunne, asch in de clivia-pot en op de schoteltjes strooien en soms op het kleed in de mooie kamer, laat ie altijd Vrijdags een dubbeltje schooien voor ’n pakkie sigaretten, … je mis ‘m toch….
Wanneer de onderste aardappel uit de pan wat aangebakken is … en er is niemand die wat brommerig zegt: ‘Hé, je hebt de aardappels wat laten aanbranden’, dan is het toch net of je niet in je eigen huis bent. Net alsof je ongetrouwd bent zelfs. Op den duur krijgt men zelfs elkanders onhebbelijkheden lief, als de echt tenminste gezond is.
‘Over drie maanden’, zei de ijscoman die even van zijn kar was weggeloopen met groote en troostgevende stelligheid, ‘zwaait Uwen man weer af, daar kunt u van opaan. Ze klesse en zolang ze klesse schiete ze niet ….’
Waarom ontbinde ze ’t leger dan niet derek?
‘Nou, dat kenne ze niet doen voor d’rlui fatsoen hè. Al die kaskedee (herrie) en dan voor lauw (niets) ….
‘’Ik mag lijje’, zei de gade van den gelukkigen eigenaar eener zwakke borst, ‘dat ’t niet doorgaat …. Al die jonge menschelevens, ’t is om van te beve. Ken U me nog twee ijsjes van drie geve? In een zakkie, ’t is voor thuis ….’
Och ja, het leven gaat zijn gang ….. Waarom zou deze vrouw wel beven en niet ijzen?
De ijscoman ging naar zijn kar. ‘Ik heb alleenig nog maar van vijf’, telde hij zakelijk.
‘Dan gaat het over, in deze tijd moete we op de kleintjes passe.’
Ik denk wel eens, zou de wereld er thans niet genoeg’lijker uitzien wanneer de vrouwen er de politieke lakens uitdeelden.
Tijl