C.W. OUWEHAND Azn; Dieren op een vulkaan
Cornelis, Willem Ouwehand Azn. werd 31 Juli 1892 te Rotterdam geboren, waar zijn vader sigarenfabrikant was. Na de Handelsschool bezocht te hebben, bekwaamde hij zich in de tabaksbranche.
In 1913 nam hij de leiding op zich van een in Rhenen geopend filiaal der Rotterdamse fabriek. Natuurliefhebber als hij was, had het landelijke Rhenen veel grotere bekoring voor hem dan de grote stad. In zijn vrije tijd wijdde hij zich hier aan het fokken van kippen en weldra werd het succes hiermede zo groot, dat hij besloot de sigarenfabriek aan zijn broer over te doen en zich geheel op de kippenfokkerij te specialiseren. Het goed geoutilleerde Hoenderpark Ouwehand maakte spoedig naam.
Na enige jaren voerde hij ook de leiding van een grote pluimveevoederfabriek, welke een door Ouwehand samengesteld voedermengsel in de handel bracht.
De crisis in de dertiger jaren legde de eierenexport en alles wat hiermee verband hield, grotendeels lam. Het kiezen van een nieuwe koers werd noodzakelijk. Daar Ouwehand reeds lang enkele exotische dieren bezat, besloot hij deze „menagerie” uit te breiden en tegen betaling open te stellen voor het publiek. Begrijpelijkerwijze vorderde dit evenwel eerst een uitgebreide studie in diverse Europese diergaarden, en de hulp van deskundigen. Op 18 Juni 1932 op bescheiden schaal begonnen, groeide Ouwehands Dierenpark in enkele jaren uit tot een inrichting, die in binnen- en buitenland sterk de aandacht trok. Het park ligt in een streek, die zeer rijk is aan natuurschoon. Het is schitterend en origineel van opzet. De uren hier doorgebracht zijn een genot en tevens een leerzame ontspanning.
DIEREN OP EEN VULKAAN
C. W. Ouwehand Azn. vertelt de oorlogsgeschiedenis van zijn dierenpark op de Grebbeberg bij Rhenen.
De mobilisatie van het Nederlandse leger, eind Augustus 1939, overstroomt ons stadje met soldaten. De Grebbeberg is een belangrijke stelling in de Grebbe-linie en zal zo nodig tot het uiterste verdedigd worden. Iedere dag weer trekken onze jongens er op uit om de berg in staat van verdediging te brengen; zij maken loopgraven, bouwen bunkers, spannen telefoondraden en houden oefeningen om in geval van nood paraat te zijn.
Over ’t algemeen vindt de Rhenense bevolking deze invasie wel prettig. Zij heeft leven en vertier in het ’s winters zo stille stadje gebracht en vooral de zakenmensen varen er wel bij. Wie denkt er aan oorlog? Zeker, ver over de grenzen schijnen verschrikkelijke dingen te gebeuren, maar daar zijn de mensen niet wijzer...
Voort snelt de tijd. Door de straten marcheren vrolijke, meest jonge soldaten en zingen het liedje van de zoete erwtensoep en van het meisje met het hart van prikkeldraad. En nog steeds is het niet tot ons doorgedrongen, dat de mooie vredige Grebbeberg dreigt te veranderen in een gevaarlijke vulkaan...
Als wij in de avond van de 9de Mei 1940 nog laat in het kantoor van het park zitten te werken om voor de te verwachten grote Pinksterdrukte de nodige maatregelen te nemen, dan weten wij niet, dat op de vliegvelden van een door valse leuzen en propaganda vergiftigd volk, de machines startklaar staan om het vreedzame Nederland met niets ontziend geweld te overrompelen. Enkele uren later razen ze reeds in eindeloze golven over de Grebbeberg en braakt de vulkaan met donderend lawaai aan alle kanten vuur.
Wanneer ik verschrikt ontwaak en naar buiten ren om te zien wat er aan de hand is, komen er ook al een paar leden van mijn personeel op de fiets aanstormen. Vastberaden hun angst onderdrukkend, hebben zij in de eerste plaats gedacht aan de weerloze dieren, die hun hulp nodig zullen hebben.
Een snelle rondgang over het park overtuigt ons, dat ze die hulp voorlopig kunnen ontberen. De giraffen en de olifanten staan rustig te eten, het nijlpaard ligt lui soezend in zijn bad en de leeuwen trekken zich van het oorlogsrumoer blijkbaar evenmin iets aan. Alleen de chimpansé’s zijn dodelijk beangst. Zij krijsen opgelucht als ze ons zien en vliegen ons als kleine kinderen om de hals. Het gelukt ons om de arme dieren een beetje te sussen en te troosten en als ze dan allemaal een grote banaan in de „handjes” gestopt krijgen, dan is het leed, althans voorlopig, vergeten.
Wij spreken af om eerst nog maar weer naar huis te gaan om enkele noodzakelijke voorzieningen te treffen en daarna weer bij elkaar te komen teneinde te overleggen, wat ons verder te doen staat. Bij hun terugkomst vinden de mannen mij heftig gesticulerend tegenover een paar ernstig kijkende officieren, die opdracht hebben, mij mede te delen, dat alle roofdieren onmiddellijk moeten worden afgemaakt. Zij zouden anders bij een bombardement kunnen losbreken en gevaarlijk voor de eigen soldaten worden. Men wil wel een paar lui met mitrailleurs sturen, maar desgewenst mag ik de dieren zelf ook doodschieten en om een al te erg bloedbad te voorkomen, kies ik het laatste.
Onder het geronk van de nog altijd overvliegende Duitse machines, begeleid door het donderende afweervuur, maak ik de zware gang langs de roofdierenverblijven, mijn zenuwen zo goed mogelijk beheersend om de dieren niet nodeloos te doen lijden. Een voor een vallen mijn leeuwen, tijgers en beren...
Tot het laatst wacht ik met een moeder-ijsbeer en haar beide jongen, die, pas een paar maanden oud, nog ongevaarlijk zijn. Maar als ik de moeder dood, sterven de jongen ook. „Maxie” is juist bezig haar beide schattige teddy-beertjes te zogen. In iedere voorpoot één, zit zij met haar rug tegen de rotswand en laat de babies naar hartelust drinken.
Ik richt de karabijn, maar moet haar laten zakken, er is zo’n mistig waas voor mijn ogen. Aarzelend gaat het wapen nogmaals omhoog, maar dan slinger ik het in een opstandige woedevlaag zo ver mogelijk van mij af. Als er even geen soldaten in de buurt zijn, trek ik vlug de schuif van het zwaar betonnen nachtverblijf open en lok het drietal daar in. Misschien deed ik verkeerd, maar ik kon niet anders...
Het was bekend, dat in geval van oorlog de Rhenense burgers direct zouden moeten evacueren en het evacuatie-bevel is inmiddels afgekomen. Voor mijzelf heb ik reeds het besluit genomen om bij de dieren te blijven; mijn mensen wil ik niet pressen, ik wacht maar af, wat zij zullen doen.
En zie, als aan gezinsleden, verloofde en meisje uitgeleide is gedaan, keert een zes-tal mannen terug, besloten om, wat er ook moge gebeuren, de dieren niet in de steek te laten.
Rustig worden op mijn aanwijzingen de nodige maatregelen genomen en kalm blijven ze ook als de volgende morgen de Duitse artillerie de Grebbeberg onder vuur legt en de granaten huilend over onze hoofden gaan of rondom ons uiteen barsten.
Zodra het maar even stil is, rennen wij het park op voor een flitsvliegensvlugge inspectie en om de dieren van voer en water te voorzien. Neen, aan ons lag het niet, dat de dieren tenslotte toch nog alleen werden gelaten. De commandant van de Grebbeberg ziet zich gedwongen om onze schuilkelder als commandopost te vorderen en daar hij bij zijn werk geen burgers kan gebruiken, krijgen wij bevel om uit Rhenen te verdwijnen. Onze heftige protesten baten niet. Hij heeft medelijden met de dieren, maar het Vaderland verkeert in zo'n grote nood, dat hij geen rekening mag houden met gevoelens, die zijn militaire taak zouden belemmeren.
Als wij niet goedschiks willen gaan, worden wij door de militaire politie op een vrachtwagen weggevoerd. Bittere gevoelens vervullen ons als wij door het reeds brandende Rhenen wegrijden. Toch deed de commandant slechts zijn plicht.
Even plotseling als hij voor ons is begonnen, eindigt de ongelijke strijd en slechts luttele uren na de capitulatie zijn wij in een taxi op weg naar Rhenen. Wanneer wij het tot een puinhoop herschapen stadje binnen rijden, doet de aanblik daarvan ons van de toestand van het park niet veel goeds verwachten en inderdaad blijken de gebouwen aan de voorzijde totaal uitgebrand te zijn.
Heel wat dieren hebben de strijd niet overleefd. De giraffen liggen, met de lange nekken gebroken, levenloos in hun stal en ook de chimpansé's zijn dood. Ongetwijfeld moeten de arme dieren van angst gestorven zijn, want wonden hebben ze niet en eten en drinken is er nog voldoende.
Als wij een vluchtige balans opmaken, kunnen wij evenwel tot onze vreugde constateren, dat de meeste dieren nog leven. Zij hebben natuurlijk honger en vooral dorst, maar als wij een paar uren hard hebben gewerkt, beginnen ze aardig op te knappen. Mijn eerste gang was naar het berenverblijf geweest en als ik „Maxie" en de kinderen levend en gezond aantref, dan lijkt het of het ongeluk, dat over ons is gekomen, wat lichter te dragen zal zijn.
Er volgen weken van ontzettend hard werken, maar eindelijk is de ravage opgeruimd, zijn de noodzakelijke herstellingen verricht, heb ik nieuwe roofdieren kunnen kopen en kan Ouwehand's Dierenpark weer voor het publiek worden geopend.
Rhenen wordt herbouwd en ook ik krijg gelegenheid mijn verwoeste gebouwen weer op te trekken. Op 18 Juni 1942, op de dag dat het precies 10 jaar geleden was, dat Ouwehand's Dierenpark werd gesticht, worden de nieuwe gebouwen in gebruik genomen en is het een feestelijke dag voor ons en voor de velen, die op onze uitnodiging naar Rhenen zijn gekomen. Natuurlijk ontbreekt het bij die gelegenheid niet aan goede wensen voor de toekomst van het park. Maar hoe zal die toekomst zijn? Zwaarder en zwaarder wordt de druk van den bezetter en steeds harder moeten wij vechten om het park in stand te kunnen houden. Komt er dan nooit een einde aan deze bange tijd? Zal de oorlogsbrand nogmaals over ons komen?
De optimisten lachen ons uit. Kom, kom, de stellingen op de berg zijn geslecht, de bunkers opgeblazen en de vuurmonden weggehaald. De vulkaan is gedoofd, hier gebeurt niets meer. Wij hopen het, maar zijn toch niet gerust. Is het soms niet net of er in het binnenste van de berg nog iets rommelt?
Landing in Frankrijk!
Een snelle opmars!
België bevrijd!
De bondgenoten trekken ons land binnen en jagen den gehaten indringer voor zich uit!
Als op 17 September 1944 de lucht bijkans wordt verduisterd door de vliegtuigen, die de beroemde landing bij Arnhem uitvoeren, dan zijn wij er vast van overtuigd, dat de bevrijding nog slechts een kwestie van enkele dagen is.
Helaas, de operaties kunnen door de slechte weersomstandigheden niet volgens de plannen worden uitgevoerd. De nodige versterkingen blijven weg en na een heldhaftige strijd, waarin zij zich onsterfelijke roem verwierf, moet de Airborne Division zich over de Rijn terugtrekken.
De Duitsers nestelen zich achter de grote rivieren en rekken de reeds lang verloren oorlog. Boven het stadje aan de Rijn huilen en barsten weer de granaten. Weer komt het bevel, ditmaal van de Duitsers, om Rhenen te evacueren en weer scharen zich om mij de getrouwen, die willen blijven. Maar met de Duitsers valt niet te praten. Wij hebben slechts te kiezen tussen weg gaan of doodgeschoten worden en na voor enkele dagen voer in de dierenstallen te hebben gebracht, vertrekken wij met loden schoenen.
Berusten doen wij echter niet en reeds een dag later krijgen wij van de Feldgendarmerie een verblijfsvergunning voor Rhenen. Dan keert een klein groepje mannen zonder veel omslag terug naar hun thans weer zo gevaarlijke taak, want aanhoudend beschiet de Engelse artillerie de in Rhenen gelegerde Duitsers. De grote schuilkelder wordt als woon- en slaapplaats ingericht en boven bij de ingang van de kelder wordt een schuurtje gezet voor het fornuis, waarop de maaltijden klaar gemaakt moeten worden.
Nog vaak neem ik het dagboek ter hand, dat wij in die tijd hebben bijgehouden. Het is een sober relaas, waarin zonder enige ophef gewag wordt gemaakt van de vele belevenissen. In 't begin hebben we nogal te lijden van de beschieting. Verschillende gebouwen krijgen voltreffers en er sneuvelen zo nu en dan dieren. De Duitsers gebruiken de geëvacueerde plaats als z.g. „Ruhestellung”, hetgeen betekent, dat er een bende rovers de verlaten huizen binnendringt, neemt wat van haar gading is en vernielt wat ze niet kan gebruiken.
De Engelsen, die met de bewegingen van den vijand blijkbaar goed op de hoogte zijn, zorgen er echter met hun granaten wel voor, dat het verblijf niet al te rustig is en daarbij is niet te vermijden, dat ook mijn mannen wel eens heel benauwde ogenblikken moeten doormaken.
Al gauw krijgen zij een zware slag te incasseren. Op een Zaterdagmiddag in November rijden er onverwachts twee auto's met Duitsers het park op en beginnen de roofdieren dood te schieten. De commanderende officier trekt wel een meewarig gezicht en spreekt van „Krieg ist Krieg" en „Befehl ist Befehl", maar intussen laat hij zijn soldaten, die slechte schutters blijken te zijn, rustig hun moordlust botvieren op de weerloze dieren, die, op verschillende plaatsen aangeschoten, brullend van pijn heen en weer rennen.
En „Maxie" heeft haar kleine teddy-beertjes alleen maar groot gebracht om hen thans te zien vallen onder de kogels der barbaren, die haar grommend protest verstikken in een golf van bloed. De moordenaars laten de dieren liggen, zoals ze zijn gevallen en de verzorgers, die toch al zo overladen zijn met werk, zien zich nu ook nog genoodzaakt om de slachtoffers te begraven. De dagboekschrijver lucht 's avonds zijn boordevol hart in scherpe zinnen.
Naarmate de ontbinding van het Duitse leger verder doorvreet en de discipline verdwijnt, worden de soldaten brutaler. Voortdurend verschijnen de alles afschuimende zonen van het „Herrenvolk" in hun langzamerhand tot lompen vervallende uniformen in het park en werpen likkebaardend steelse blikken op de herten, de buffels, de koppels eenden en alles wat hun maar eetbaar voorkomt.
Onze mannen hebben al hun waakzaamheid en scherpzinnigheid nodig om te voorkomen, dat de levende have in de hongerige magen van de soldaten terecht komt. Desondanks verdwijnen er vooral 's nachts nogal eens eenden, een enkele keer een hert en soms een schaap. Later komen de rovers brutaalweg overdag en bedwingen de protesten van de verzorgers met hun geweren en pistolen. Teneinde raad wordt de hulp van de Feldgendarmerie ingeroepen, die verdacht gewillig is om te helpen en later dan ook met de dieven onder een hoedje blijkt te spelen. Gelukkig verdwijnt dit stelletje spoedig uit Rhenen en blijven de verliezen beperkt.
Kerstmis 1944 wordt in de schuilkelder gevierd en na een bijna ouderwetse Oudejaarsavond, waarbij pannenkoeken de plaats van oliebollen innemen, gaan de mannen vol moed en vertrouwen het nieuwe jaar in. Uit alles blijkt immers, dat de bevrijding snel nadert en dat de hoop nog een groot aantal dieren te kunnen redden lang niet ongewettigd is. Maar op de zwartste dag in de geschiedenis van Ouwehand's Dierenpark verschijnt in Rhenen een bende S.S. met een Standartenführer als aanvoerder.
Nauwelijks is de aanwezigheid van de in zijn ogen zo rijke buit op de Grebbeberg ontdekt of zijn beslissing is reeds gevallen. „Was machen Sie hier?" „Wir machen seit dann und dan das und das, Herr Standartenführer." De kerel hoort het relaas even ongeduldig aan, onderbreekt het dan met een snauw en barst los in een serie scheldwoorden, waarvan zelfs zijn meesters in Berlijn nog iets hadden kunnen leren. „Op staande voet verdwijnen", wil hij er in ieder geval mee zeggen, „en alles achter laten", en als hem blijkt, dat hij zijn energie verspilt, omdat hij nu niet bepaald tegenover een paar kinderen staat, begint hij te schuimbekken van woede, krijgt een paar commando's en de onverlaten, die het wagen om een S.S. Standartenführer niet de nodige eerbied te bewijzen, kijken plotseling in de lopen van zes geweren. En dan vertelt Lippert — zo luidde zijn naam — zonder bombastische franje, dat hij hun de tijd geeft tot de volgende morgen 9 uur. Treft hij hen dan nog aan, dan worden ze onherroepelijk „umgelegt".
Er volgt een korte opgewonden krijgsraad, waarin de gekste voorstellen worden gedaan. De bezadigden weten de gemoederen echter te kalmeren en dan besluit men om eerst maar een paar uur te gaan slapen en vroeg op te staan voor het bij elkaar drijven van de dieren, die met enige kans op succes lopend over de weg meegenomen zouden kunnen worden. Want helemaal opgegeven doen zij de strijd nog niet.
Om 10 uur 's morgens als de stoet ongeveer reisvaardig is, komt Lippert aanstormen en briest van woede als hij ziet, dat ze nog niet vertrokken zijn. De mannen gaan rustig verder met hun laatste toebereidselen en kijken soms belangstellend naar Lippert in de stille hoop, dat hij in zijn uitbarsting zal blijven. En Lippert, verbluft door hun koelbloedigheid, laat hen, zonder nog veel te zeggen, met de dieren vertrekken.
De mars naar Veenendaal, de dichtstbijzijnde bewoonde plaats, is zeer vermoeiend. Onderweg blijkt het onmogelijk om de dieren bij elkaar te houden en men kan niet voorkomen, dat er verschillende in de bossen ontsnappen. Maar na een urenlang getob trekken ze eindelijk onder grote belangstelling van de bevolking Veenendaal binnen en vinden de geredde dieren en hun verzorgers onderdak in een gedeelte van een sigarenfabriek.
Bij de vele dieren, die achtergelaten moesten worden, zijn ook twee olifanten en de mannen overwegen de mogelijkheid om die nog te halen. De volgende morgen gaan ze al vroeg op weg en komen zonder ongelukken in het park. Daar is de hel losgebroken, want de Duitsers hebben de dieren en vogels vrij gelaten en toen een complete jachtpartij georganiseerd. De commandant is er zelf echter niet bij en ongemoeid bereiken de mannen het olifantenhuis. Aan de dikhuiden hebben de soldaten zich gelukkig nog niet gewaagd. De beide dieren worden naar buiten geleid en lopen tamelijk gewillig mee tot zij op de straatweg schrikken van een auto, zich los rukken en terug rennen naar de stal, onderweg alles omver lopend wat hun in de weg staat. Het wordt nogmaals geprobeerd, doch weer rukken de olifanten zich los en rennen terug. Het is wanhopig, de dieren zijn onhandelbaar en onverrichterzake moet de terugreis worden aanvaard. Lippert heeft zich niet laten zien.
Het verblijf in Veenendaal is van korte duur. Op een groot landgoed te Doorn wordt voor mens en dier een beter onderkomen gevonden. Vanzelfsprekend proberen wij op de hoogte te komen van de toestand in het park en eerlijkheidshalve moeten wij erkennen, dat er enkele Duitse soldaten zijn, die ons daarbij helpen. Uit de enigszins verwarde berichten kunnen wij tenslotte opmaken, dat alle dieren dood of weggevoerd zijn, behalve de olifanten en het nijlpaard, die blijkbaar door soldaten worden gevoerd.
In April krijgen wij de boodschap, dat de S.S. vertrokken is en direct wagen wij een verkenningstocht om tot onze grievende teleurstelling te moeten ervaren, dat zij hun werk hebben voltooid door tenslotte ook nog de olifanten en het nijlpaard neer te schieten...
En hiermede is de oorlogsgeschiedenis van Ouwehand's Dierenpark feitelijk ten einde. Enkele weken later beleven wij de glorieuze intocht van onze bevrijders en mogen wij terug naar huis. Dit is weliswaar beschadigd en leeg geplunderd, maar blijft toch ons huis. Ook de dieren betrekken weer hun vroegere verblijven. Het is spijtig, dat de opofferingen van de dappere verzorgers niet het resultaat hebben gehad, dat zij er van hadden verwacht; van de eens zo prachtige dierencollectie is maar een schamel restant over gebleven. De vulkaan, waarop wij jarenlang hebben geleefd, is nu voorgoed gedoofd en weer de mooie Grebbeberg geworden.
In de schaduw van zijn hoge beuken vonden vriend en vijand hun laatste rustplaats en niet ver vandaar werken wij met ongebroken energie aan de wederopbouw, zoals overal in het land wordt gewerkt aan de wederopbouw, aan een toekomst, die ons iets moet kunnen teruggeven voor het leed van de afgelopen jaren.
Ik heb vertrouwen in de toekomst. Ook wat mijn park betreft. Al kan de overheid bij haar streven naar herstel der door ons land geleden materiële schade begrijpelijkerwijze de weder-invoer van wilde en exotische dieren niet als de meest urgente aangelegenheid beschouwen, toch blijkt zij haar medewerking te willen verlenen. Zo ging ik in de zomer 1946 in opdracht der regering als officier-in-civiele-dienst naar Duitsland, om daar de overgebleven dierenvoorraden in ogenschouw te nemen.
Het heet, dat wij door de oorlog verruwd en verwilderd zijn, dat wij het met ons leven zo nauw niet meer nemen en dat vooral de jeugd van de ankers is geslagen.
Ten dele is dat waarschijnlijk waar. Hoe kan het ook anders? Maar ik ben overtuigd, dat de goede kern van ons volk gelouterd uit „het dal van bloed en tranen” te voorschijn is gekomen. En de op drift geslagen jeugd, die wil luisteren naar de stem van het Vaderland, de stem, die bewogen spreekt van onnoembaar leed, van heldenmoed, trouw en hopelijk niet tevergeefs gebrachte offers, zal de ankerkettingen weer opvissen en haar plaats innemen in de rijen van de vechters voor een schone toekomst van ons land.