Skip to main content

Arnhemsche Courant van woensdag 22 mei 1940

Een tocht langs gewezen strijdterrein

Plechtigheid op den Grebbeberg

Rhenen en Wageningen zwaar geteisterd

Teneinde een waar beeld te schenken van wat vernield werd tijdens de krijgsverrichtingen en onjuiste geruchten en voorstellingen van zaken te ontzenuwen hebben de Duitsche militaire autoriteiten een tocht langs de Grebbe- en IJssellinies georganiseerd, opdat men aldus het Alg. Hand.bl. zou kunnen aanschouwen dat wat vernield werd, uitsluitend uit oorlogsnoodzaak is beschadigd, terwijl daarnaast met grootste zorg ongerept werd gelaten alles wat buiten het eigenlijke krijgsgebied lag.

De bisschopsstad bleef ongeschonden

Onder leiding van Hauptman Von der Decken werd allereerst Utrecht bezocht. Behalve eenige zich verplaatsende colonnes van Nederlandsche en Duitsche troepen wees niets op eenig gevolg van krijgsbedrijf. Ongerept doemde de domtoren van Utrecht op. Geen enkel luchtalarm heeft te Utrecht geklonken. Ongeschonden ligt de oude bisschopsstad, waar in de straten het drukke verkeer een normalen indruk maakt. Eerst buiten Utrecht op den weg naar De Bilt ziet men de eerste verwoestingen. Doch langs den langen Biltschen straatweg met zijn tallooze villa’s en buitens, zijn bij het fort slechts eenige woningen beschadigd. Het metereologisch instituut is volkomen ongeschonden. Ongerept ligt het blanke huis van ‘Vollenhove’ tegen de luchtgetinte boschage van het oude hoogopgerezen geboomte. Niet de minste sporen van wat in de afgeloopen weken geschiedde ontwaart men aan de weelderige buitens, villa’s en parken langs den weg naar Zeist en Driebergen en Rijsenburg met zijn Schaepmanmunument voor het vermaarde seminarie. Ook Doorn, Leersum en Amerongen liggen ongerept in hun schilderachtige omgeving. Pas te Elst ontwaart men eenige beschadigde woningen.

De Cunerakerk heeft den strijd doorstaan

In de verte rijst de Cuneratoren van Rhenen. Onzekerheid was er over het lot van dezen vermaarde toren, een rank sieraad langs de langzaam vlietende Rijn. De ‘Cunera’ was in herstel. Steigerwerk omgeeft den toren. Doch hij heeft weinig of niets geleden van den strijd evenmin als de kerk. Eeuwen heeft het bouwwerk getrotseerd en gelukkig ook den fellen kamp waarvan Rhenen overigens slachtoffer geworden is.

Rhenen, Wageningen en de Grebbe, ze zijn zwaar geschonden door de geweldigen strijd, welke om dit belangrijke verdedigingspunt is gevoerd. Rhenen is zoo goed als geheel verwoest en het lijkt een wonderlijk spel, dat juist de ‘Cunera’ is gespaard. Vele lieflijke villatjes zijn ruïnes geworden. Ook in Wageningen.

Maar telkens verrast de grilligheid van het lot. Waarom staat daar plotseling een huisje met slechts eenige kapotte ruiten en pannen naast volkomen vernielde villa’s. Evenals een mens schijnt ook een huis niet voor zijn tijd heen te gaan.

Een laatste groet

Op de Grebbe even voorbij Ouwehands Dierenpark wordt een begraafplaats ingericht voor de gevallen in dien slag. Zes groote graven zijn er gedolven. In vier heeft men de gevallen Nederlandsche strijders te ruste gelegd, in twee de Duitsche.
Namens den bevelhebber der Duitsche bezetting heeft Hauptman Von der Decken daar een laatsten groet gebracht aan de dapperen die vielen.
‘Met trouw en eerbied’, zoo sprak hij ‘denken we terug aan de mannen die hier hun leven hebben gelaten. Met trots en dankbaarheid is men vervuld, wanneer men bedenkt te behooren tot een weermacht, die zich in zoo volledige overgave geeft aan de opgelegde taak. Hun taak was niet licht. Een natuurlijke vesting, bijna onbetreedbaar door aanleg, hebben zij bezet tegen een sterken en dapperen vijand die den strijd niet licht heeft gemaakt’. ‘Wij danken’, zoo vervolgde Hauptman Von der Decken, ‘onze jongens, dappere, onvergelijkbare kameraden van de S.S. Waar men door de eeuwen heen van de vrijheidskamp der Duitschen spreken zal, zal men ook de helden van de Grebbeberg herdenken. Wij herdenken ook de tegenstanders. Waar zij bevolen waren hun plicht te doen, hebben zij dapper en eerlijk gestreden. Het is geen schande de Duitsche strijders niet te kunnen weerstaan. Met hoogachting herdenken wij onze tegenstanders. Hier zal vrede zijn tusschen die strijders. Niemand zal dien vrede kunnen verbreken. Tot den jongsten dag, waarop alle graven zullen opengaan.

Luitenant Wiarda Beckmann aan het woord

Luitenant Wiarda Beckmann van den Nederlandsche generalen staf, hield daarop de volgende rede.
‘De opperbevelhebber van de Nederlandsch land- en zeemacht heeft mij opgedragen een laatsten groet te brengen aan de Nederlandsche soldaten die hier begraven zijn. Een laatste groet namens het Nederlandsche leger aan strijdmakkers die bij de verdediging van het vaderland hun leven hebben verloren, een laatsten groet namens Nederland dat den moed en de trouw door zijn zonen in de dagen van den oorlog betoond, nooit zal vergeten. In de strijdmakkers die hier hun laatste rustplaats vinden, eeren wij alle officieren, onderofficieren en minderen die hun leven voor Nederland hebben gegeven. De Nederlandsche weer macht weet den moed en de organisatie van den tegenstander te respecteeren. Doch aan het graf van Nederlandsche soldaten is het mijn taak hulde te brengen aan het taaie verweer van de Nederlandsche verdedigers, aan de geestkracht en moed, die zij hebben getoond bij de verdediging van hun vaderland.

Zij die vielen hebben hun bloed niet tevergeefs gofferd. Zij hebben de eer van de Nederlandsche weermacht, zij hebben de eer van hun land hooggehouden. Voor de gezinnen en voor de ouders moge het een troost zijn te weten, dat zij als goed-Nederlandsche mannen hun plicht hebben gedaan in den strijd. Toen de loop der omstandigheden den oorlog over den Nederlandschen grond bracht hebben zij met opgewektheid alles gegeven omdat hun land hen riep.

De weermacht en het Nederlandsche volk bidden dat God hun nabestaanden de kracht moge geven om hun zware smart te dragen. Wij zijn mèt hen, zooals wij in onze gedachten steeds zijn bij de strijdmakkers die den dood vonden. Kracht putten wij uit de zekerheid dat wij trouw zijn geweest aan onzen Nederlandschen plicht. Ik moge dezen afscheidsgroet besluiten met een couplet van het Nederlandsche volkslied’:

‘Soo het den wil den Heeren
Op die tyt had gheweest
Had ik gheern willen keeren
Van u dit swaer tempeest
Mar de Heer van hierboven
Die alle dinck regeert
Die men altijt moet loven
En heeftet niet begeert’

Daarop legde Hauptmann von der Decken een krans van sparregroen met witte aronskelken met roode linten en zwart hakenkruis op wit veld neer bij de graven van de Duitsche gevallenen. Een volmaakt gelijke krans legde hij vervolgens bij de graven der Nederlandsche strijders. Een oogenblik van wijding, van ridderlijk eerbewijs van den overwinnaar jegens den eervol overwonnene.

Achter de Grebbe

Achter de Grebbe aanschouwt men de verwoesting onvermijdelijk aan het slagveld verbonden. Doch het is een smalle strook. De inundatie is reeds weggevloeid en dit maakt den aanblik des te verwonderlijker. Toch overheerscht het lichte groen ook op deze plek.

Langs den weg naar Wageningen aanschouwt men sporen van strijd en ook dit centrum van landbouwonderwijs blijkt zwaar geteisterd doch even buiten dit stadje over den Wageningschen Berg op den weg naar renkumen Doorwerth waar geen militaire doelen waren is niets te bespeuren van den heeten strijd die eenige kilometers verder heeft gewoed.

Geen vernietiging buiten oorlogsnoodzaak

Wanneer men verder gaat langs Rijn en IJssel dan aanschouwt men nergens eenig vernieling die niet verband houdt met de maatregelen door de verdedigers genomen. De bruggen langs den IJssel en langs het Appeldoornsch-Dierensche kanaal zijn door onze troepen vernield. Het verkeer gaat eenige honderden meters verder over een schipbrug. De brug bij Doesburg is beschadigd doch zij is weer gedeeltelijk hersteld zoodat zij voor voetgangers begaanbaar is. Ook bij Zutphen is de brig vernield. Met een stoompont voorziet men in het verkeer. Bij het springen dier bruggen zijn beschadigingen toegebracht aan dicht in de buurt liggende panden, doch heel de omtrek van Arnhem straalt en bloeit in ongeschonden lentepracht. Overal bemerkt men dat het gewone leven zijn voortgang vindt. Velp, De Steeg, Brummen, al deze dorpjes met hun vriendelijke hotels, hun zacht glooiende beboschte heuvels, zij heb geen anderen aanblik dan in den normalen voortijd wanneer men zich gereed maakt de vacantiegangers te ontvangen. Van bezettingsmaatregelen bemerkt men niets. Ook niet verder op de Veluwe. Met een zucht van verlichting constateert men dat de schoonste dreven des lands waar doorheen werd gereden, niets te lijden hebben gehad van het strijdtooneel dat langs deze route geheel beperkt is gebleven tot de strategische punten. Daaromheen aanschouwt men de ongerepte schoonheid van het vredig vaderland dat zich instelt op normaal verkeer in nieuwe toekomst.
Apeldoorn noch heel de mooie breede autoweg over de heide naar Amersfoort, vertoonen eenige overblijfselen van oorlogsomstandigheden. Zoo bewees heel deze tocht langs de groote wegen en door schilderachtige dorpjes dat hier nergens buiten krijgsnoodzaak eenige vernieling is verricht.