Arnhemsche Courant van donderdag 13 juni 1940
Vier weken krijgsgevangen in Duitschland
De belevenissen van ’n Amsterdamsche journalist
Als burger in het militair gevangenkamp
De Amsterdamsche sportjournalist M.J. Adriani Engels, destijds verbonden aan de Arnhemsche Courant, bevond zich bij het uitbreken van den oorlog in Luxemburg, waarheen hij zich had begeven om een verslag te maken van den voetbalwedstrijd Luxemburg – Nederland welke op Eersten Pinksterdag zou worden gespeeld. Toen hij door den oorlog werd overvallen, heeft hij met twee andere landgenooten getracht loopende het Nederlandsch gebied te bereiken. Hij werd krijgsgevangen gemaakt en naar het kamp in Neu-Brandenburg gezonden, vanwaar hij nu met een transport krijgsgevangenen te Enschede aankwam. In het volgens verhaal vertelt de heer Engels zijn belevenissen.
Vier volle weken hebben we het lot der tienduizenden Nederlandsche militairen, die in Duitsche krijgsgevangenschap zaten, gedeeld. Vier volle weken hebben we goulash en Pellkartoffeln gegeten in de gevangeniskampen van Aken, Bocholt en Neubrandenburg en dat alles zonder zelf ooit militair geweest te zijn, wat toch voor een krijgsgevangenschap wel de allereerste vereischte is,
Maar in deze abnormale tijden is veel onmogelijks, thans mogelijk zooals ook veel mogelijks thans onmogelijk is. Als Nederlandsche journalist tijdens een reportage ‘eingesperrt’ als onderdaan van een met Duitschland in oorlog zijnde natie, hebben we de krijgsgevangenschap aan den lijve kunnen ondervinden om thans, met een der eerste transporten naar het vaderland teruggevoerd aan degenen die nog vrienden of verwanten in krijgsgevangenschap hebben, uit eigen ondervinding te kunnen meedeelen hoe het daar toegaat.
llereerst mogen we dan deze familieleden geruststellen; de behandeling van de Nederlanders door de Duitschers is zeer correct, ze behoeven geen dwangarbeid – wel is er vrijwillige arbeid – en men kan hun terugverwachten in goede gezondheid, zij het dan wel wat vermagerd door de voeding die wat geringer is dan men in Nederland gewoon is. De tienduizenden Nederlandsche militairen die we in Aken, Bocholt en Neubrandenburg troffen, leefden een primitief en wat eentoonig leventje achter prikkeldraad, als echte Hollandsche soldaten ‘kankerden’ ze van tijd tot tijd, doch voor hun gezondheid behoeft men niet de minste angst te hebben.
Waar zooveel levenslustige Hollanders tusschen de twintig en 35 jaar bijeen zijn, beleeft men tezamen ook vele genoeglijke uren, men is er allen gelijk, niemand bezit een cent meer dan zijn buurman want al hun geld moeten de krijgsgevangen afdragen om het pas na hun terugkomst in Holland weer in ontvangst te mogen nemen, vermoedelijk aan het Gemeentehuis van hun woonplaats.
Was het verwonderlijk dat in deze maatschappij van even rijke of liever even arme menschen van allerlei rang en stand het lied ‘geen geld en toch geen zorgen’ vele malen opschalde met het refrein dat het ‘morgen wel beter zal gaan’.
Morgen
Morgen, ja morgen is steeds de dag waar de krijgsgevangenen op hopen, morgen zullen ze vrijgelaten worden naar ze hopen, over ‘morgen’ gaan ’s avonds in de gevangeniskampen de dolste geruchten, morgen zal er dit gebeuren, morgen zal er dat gebeuren, maar meestal gebeurt er morgen weer niets, het lijkt wel op ‘manana’, het Spaansche woord voor morgen, weer komt er een nieuwe dag voor zonnebaden, kaarten, kletsen, eten, wachten, slapen en zich vervelen. En toch, hoe betrekkelijk weinig hebben we ons verveeld op al die lange dagen van zes uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds, welke we door eenige uren bridge in de keurig ingerichte barakken nog konden verlengen tot tien uur, half elf ’s avonds. De Hollanders hielden er onderling den moed in en daarbij kwam dat de Duitschers zeer correct optraden tegenover de stamverwante Nederlanders die ze als ‘krijgsgevangenen eerste klasse’ behandelden
De ligging op kribben in barakken was voor soldaten en onderofficieren alsmede voor de elders ondergebrachte officieren gelijk en zeer behoorlijk; slechts twee nachten moesten we doorbrengen in tenten op een naakten bodem zonder stroo, terwijl ook de spoorreis van Bocholt naar Neubrandenburg (21 uur met 50 man in een goederenwagon waarvan de deuren hermetisch gesloten bleven) nu niet bepaald een plezierreisje was. Maar dat overleeft een Hollandsche jongen wel. Stof was er plenty, ongedierte gelukkig in het geheel niet.
Het eten …. Ja, twee boterhammen ’s morgens, zes aardappelen-in-schil met een soepbord zeer verdunde soep ’s middags en drie boterhammen ’s avonds, een en ander besproeid door uit gerst gefabriceerde namaakkoffie, beantwoordt vermoedelijk beter aan de eischen van Duitsche magen dan aan die verwende Hollandsche magen. Maar als men eenmaal over het zwakke punt heen is, past de maag zich aan, men overleeft het en gaat verder op ‘een lager niveau’.
Ook aan prikkeldraad went men; naar er vier weken tegen aan gekeken te hebben, denken we er sterk over om ook ons achtertuintje met prikkeldraad op te sieren. Achter dat prikkeldraad – aan de vrije kant er van – kuierde Zaterdags en Zondags het Neubrandenburger publiek dat de gevangenen kwam ‘besichtigen’ … maar al spoedig de zesduizend Hollanders uit ons Stammlager IIA voorbijliep om achter in het kamp de Fransche koloniale troepen uit Algiers, Marokko en Indo-China te gaan aangapen. Al die bruinen en zwarten waren een sensatie voor het stadje dat 130 kilometer ten Noorden van Berlijn ligt en zich plots in Artis-stemming voelde.
Waar de krijgsgevangenen over spraken? ‘Waar hebben ze jou gepakt?’ was het eerste aanknoppingspunt en als dat onderwerp afgehandeld was vertelde men elkaar de laatste nieuwtjes over de vrijlatingskansen, nieuwtjes die even variabel als onbetrouwbaar bleken, maar toch grif geloofd werden, avond na avond. Het was ook in de avonduren, dat de ruilmarkt floreerde, de krijgsgevangenen van andere nationaliteiten die het niet zo goed hadden als de bevoorrechte Hollanders, boden een pakje tabak voor een fragment kuch, gilettemesjes noteerden een hoogen koers, sigaretten waren practisch onbetaalbaar.
De houten lepel
In het kamp te Bocholt waren te weinig lepels, vandaar dat er een plotselinge Hollandsche kunstnijverheid ontstond in het eigenhandig snijden van lepels uit hout, die later als stukken van overtuiging mee naar het vaderland zullen verhuizen. In Neubrandenburg kreeg elke gevangene een aluminium eetlepel, die in de rechter puttee gestoken werd om niet verloren te raken; men zal wellicht bemerken dat de ex-krijgsgevangene thuis den eersten dag uit oude gewoonte na tafel zijn eetlepel in zijn broekspijp probeert te moffelen.
Men miste O. en O.
Kranten waren er niet, geen Duitsche en heelemaal geen Nederlandsche, vandaar de vele oncontroleerbare geruchten. Radio was er in sommige kampen, alleen dan voor de nieuwsberichtendienst; bij de eerste noot muziek werd de radiokraan onverbiddelijk afgedraaid. Vele malen werd men over de vertrekdatum blijgemaakt met berichten die later doode musschen gelijk waren; officieel varieerden de wachttijden tusschen ‘auf Kurzer Zeit’ en ‘vier bis sechs Wochen’, beide door den Duitschen commandant van ons ‘stalag IIA’ gebruikt in zijn toespraken tot de Hollanders, officieus was het meestal morgen.
Alle krijgsgevangenen werden ingeënt, van zinken genummerde herkenningsplaatjes voorzien en voor zover ze uit de loopgraven kwamen ontluisd; de eerst aangekomen Hollanders werden bovendien gelijk alle buitenlanders kaalgeknipt, ‘en face’ en ‘en profil’ gefotografeerd met hun nummers op de borst en van hen werden vingerafdrukken genomen, de later gekomen Hollanders, d.w.z. 90%, ontsnapten aan deze gevangenismaatregelen omdat inmiddels bekend geworden was, dat ze slechts korten tijd gevangen zouden worden gehouden.
‘O. en O,’ miste men er ten zeerste, met eigen gemaakte dam- en schaakspelen en met meegenomen speelkaarten hield men zich bezig en persoonlijk hebben we menig partijtje gevoetbald als gast van onze Poolsche collega krijgsgevangenen ten aanschouwe van een wel zeer internationaal militair publiek (Duitschers, Belgen, Franschen, Engelschen, Hollanders, Polen, Indo-Chinezen, Marokkanen, Algerijnen enz, ’s morgens was er een half uurtje ochtendgymnastiek.
Een maand vakantie mag men het met eenig optimisme noemen, gratis vakantie dan, waarbij men weliswaar moest leven zonder zijn biertje, zijn sigaretje en zijn bioscoop uit de mobilisatiemaanden doch dan ook geen cent kon uitgeven en zelfs gratis heen en weer vervoerd werd. ‘Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?’ zong onze compagnie op de terugweg heel toepasselijk.
De terugreis
Die terugreis was een ware zegetocht; er waren thans banken geplaatst in de goederenwagons voor vijftig man,
er was geen bewaking met geladen geweren meer, de wagondeuren bleven open tijdens het dagparcours van den 21 uren langen terugtocht via Lübeck, Hamburg en Bremen naar Enschede en dat leidde tot een massale vergissing van de Hamburgse burgerbevolking die in de avondschemer de 36 goederenwagons met zingende ‘Feldgrauen’ waarschijnlijk aanzag voor Duitsche soldaten en hun ovatie na ovatie bracht, zwaaiend met vlaggen, gordijnen, kleedingstukken en wat er verder in de woningen voor het grijpen lag, toen de Hollandsche trein langzaam Hamburg binnenstoomde. Hollandsche en Duitsche uniformen lijken immers in het donker verdacht veel op elkaar.
Maar het mooiste moment echter beleefden we toen ’s morgens om 9.57, kort na het verlaten van het station Gronau, de Hollandsche grenspalen gepasseerd werden en de heele trein met 1797 krijgsgevangen Nederlandsche soldaten uitbarstte in een jubelend meegezongen ‘Ik houd van Holland’ bij het binnenrijden van den vaderlandsche bodem. In dezelfde jubelstemming werd enkele minuten later de stad Enschedé bereikt waar ons een verbluffend hartelijk welkom bereid werd met koppen soep, krentenbroodjes en – niet in het minst – warme baden om ons te ontdoen van al het stof dat een maand krijgsgevangenschap in steeds maar dezelfde kleeren met zich meebrengt. Mijlenhoog steeg Enschedé’s bevolking in onze achting, de ontslagen krijgsgevangenen voelde zich weer menschen en weer thuis.
Met uitzondering van degenen die zich vrijwillig opgaven om nog acht weken in Duitschland te blijven werken tegen uurlonen van 42 tot 55 cent (in Nederlandsch geld uitgedrukt) komen in de eerstvolgende dagen thans alle Nederlanders naar huis toe.
‘Es bleibt für Sie immer ein schönes Erlebnis’, sprak de kampcommandant tot ons op de morgen van ons vertrek uit het vestingstadje Neubrandenburg. Inderdaad, het is interessant om ook eens zooiets beleefd te hebben.