In den Uylenspiegel
We leeren het wel, het belastingbetalen. Goede oefening – en hoe ruimschoots wordt daartoe tegenwoordig gelegenheid geboden – doet veel zo niet alles. Hebben wij vroeger wel eens in misserige burgermanstaal geklaagd over de vele tienden door Den Haag van ons gevorderd, tegenwoordig offeren wij onder het uitgalmen van heroische taal, die waard is zóó afgedrukt te worden in een geschiedenisboekje, als treffend voorbeeld van hoe verknocht de Nederlanders in den jare 1940 waren aan ’s lands kas – hetgeen hetzelfde wil zeggen als aan het vaderland, want ik vraag U: wat is een land zonder geld?
Een land zonder vloot, een land zonder leger!
En zo’n land heeft alle kwaliteiten aanstonds geen land meer te zijn, doch een provincie van een ander land.
Daarom: wie zijn vaderland lief heeft, spekke de schatkist en vandaar het werkwoord ‘vrijwillig leenen’- ja, neemt U nu een slokje, het zal U helpen
Daar is de K.N.A.C. in een officieele verklaring over de nieuwe belasting op het motorwegverkeer. Ik weet niet, welke uit den doode opgestane Tollens of Bilderdijk de heeren heeft geïnspireerd – maar toen ik het las, werd ik er koud van, hetgeen in dit seizoen overigens niet moeilijk is:
‘De nieuwe belasting is een zware, een zeer zware slag voor dat wegverkeer, doch met bloedend hart zal ditmaal deze last op de schouders genomen worden met een verbeten wilskracht eigen aan deze jonge loot van den grooten verkeersstam. Het land eischt offers en het motorwegverkeer brengt ze, niet geheel blijmoedig, maar met harden, fieren trots’.
Kijk dat noem ik nou táál. Het is haast zoo mooi als wat ik schier elke avond door de radio uit andere landen verneem.
Ik werd er stil van, toen ik klaar was met lezen, belde ik zelfs minister De Geer op om te hooren of hij het nu nog over zijn hart kon verkrijgen de benzinebelasting te handhaven.
Helaas, Zijne Excellentie was niet thuis, maar het tweede meisje vertelde mij vertrouwelijk, dat bloedende harten noch verbeten wilskracht den minister een belasting kunnen doen opgeven die hij nu eenmaal heeft uitgepiekerd.
En nog was ik niet bekomen van de ontroering over de K.N.A.C.-sche fanfare, of een papier dwarrelde neer op mijn schrijftafel met het hoofd:
‘Koninklijke Nederlansche Koffieleuten Club’.
En door het waas van tranen, geweven door de vorige lectuur, las ik:
‘De Nieuwe belasting op suiker en koffie is een zware, zeer zware slag voor de liefhebbers van het klassieke bakje leut, oftewel troost, doch met een bloedend hart, zullen de nieuwe lasten op de schouders worden genomen met een verbeten wiilskracht, eigen aan de huisvrouw, die al lang gewend was een kwartje te betalen voor een pond suiker, dat in andere landen zes centen kost, toen er van oorlog heinde en verre nog niets te bespeuren viel en die haar moeder zich al blauw zag betalen voor dezelfde koffie, waar men elders locomotieven mee stookte omdat steenkool duurder was. Verbeten wilskracht, eigen aan de suiker- en koffieloot van den grooten consumentenstam. Het land eischt offers en koffiedrinkers brengen ze, niet geheel blijmoedig, maar met harden, fieren trots’.
Wederom belde ik minister De Geer op en ditmaal kwam het derde meisje aan de telefoon.
‘Laat ze maar oppassen’, vond het lieve kind, als ze al te enthousiast worden en meneer is morgen aan het ontbijt wat knorrig, doet hij er zo een schepje op….
‘We willen niets liever’, riep ik geestdriftig en met een nationale trilling in mijn stem, ‘er zijn artikelen waar pas driehonderd procent op zit, da’s in deze tijd een schandáál!...
Nou wil ik met mijn rookende cliëntèle heusch niet de kachel aanmaken – maar op tabäk….
Nog eens vijf en twintig procent, bij voorbeeld ….? ‘t Moet toch uit de lengte of uit de breedte komen?....
Tijl